De auto van de zaak mee naar de camping: een vakantiesituatie met fiscale gevolgen

Tijdens mijn periode in de praktijk rondom fiscale mobiliteit kwam deze situatie regelmatig voorbij tijdens toolboxmeetings.

Een werknemer stelde de volgende vraag:

"Mijn officiële woonadres is adres A. Tijdens de zomervakantie verblijft mijn gezin zes weken op een camping. Vanaf de camping naar mijn werk is de afstand korter dan vanaf mijn woning. Mag ik dan vanaf de camping naar mijn werk rijden met de auto van de zaak?"

Een begrijpelijke vraag.

Vanuit praktisch oogpunt lijkt de situatie logisch. De werknemer verblijft daar, de afstand naar het werk is korter en de route lijkt op een normale woon-werkrit.

Fiscaal ligt dit echter genuanceerder.


Een camping is niet automatisch een woonadres

Bij de beoordeling van ritten met een auto van de zaak kijkt de Belastingdienst niet alleen naar kilometers of de kortste route.

De vraag is vooral:

Wat is de feitelijke woon- en verblijfssituatie van de werknemer?

Een tijdelijk verblijf op een camping betekent niet automatisch dat alle ritten vanaf deze locatie als woon-werkverkeer mogen worden aangemerkt.

De werknemer moet kunnen onderbouwen waarom deze verblijfplaats fiscaal relevant is.

Daarbij spelen de omstandigheden een rol, zoals:

  • de duur van het verblijf;
  • de feitelijke situatie;
  • de reden van het verblijf;
  • de manier waarop dit is vastgelegd.

Waar gaat het in de praktijk vaak mis?

Veel werknemers redeneren vanuit de dagelijkse praktijk:

"Ik slaap daar zes weken met mijn gezin, dus dat is mijn tijdelijke thuis."

Of:

"De camping ligt dichter bij mijn werk, dus dit is gunstiger en logisch."

Maar fiscale regels kijken niet alleen naar wat praktisch voelt.

Wanneer een werknemer structureel vanaf een camping naar het werk rijdt zonder dat duidelijk is hoe deze situatie fiscaal moet worden beoordeeld, kan dit bij een controle vragen oproepen.

De Belastingdienst kan bijvoorbeeld vragen:

  • Waarom vertrekt deze werknemer vanaf een camping?
  • Is dit een privéverblijf of een fiscale verblijfplaats?
  • Hoe is deze situatie onderbouwd?

Wat moet de werknemer doen?

De verantwoordelijkheid voor de persoonlijke woon- en verblijfssituatie ligt bij de werknemer.

Wanneer iemand gedurende langere tijd feitelijk op een andere locatie verblijft, is het belangrijk dat de werknemer dit niet alleen mondeling aanneemt, maar de situatie goed beoordeelt en kan onderbouwen.

De werknemer moet hierbij rekening houden met:

  • de juiste registratie van de persoonlijke situatie;
  • eventuele wijzigingen die doorgegeven moeten worden;
  • een goede vastlegging richting werkgever;
  • het kunnen uitleggen van de situatie bij een eventuele controle.

De werkgever kan niet bepalen waar iemand fiscaal woont. Wel heeft de werkgever een verantwoordelijkheid om medewerkers bewust te maken van de gevolgen rondom de auto van de zaak.


Belangrijk: het werkt beide kanten op

Een punt dat vaak wordt vergeten:

Wanneer een camping gedurende een bepaalde periode als verblijfplaats wordt aangemerkt, heeft dit gevolgen voor het hele reispatroon.

Niet alleen de ritten:

Camping → werk

moeten worden bekeken.

Ook bijvoorbeeld:

Camping → woning

kan fiscale gevolgen hebben.

Een werknemer kan dus niet alleen het voordeel gebruiken van een dichterbij gelegen vertrekpunt, maar moet ook rekening houden met de consequenties van die keuze.


Praktijkvoorbeeld uit mijn ervaring

Tijdens toolboxmeetings met werkgevers en medewerkers kwam deze situatie meerdere keren naar voren.

Bij één organisatie bleek dat meerdere medewerkers tijdens de zomerperiode structureel vanaf de camping naar het werk reden.

De gedachte was bij veel medewerkers hetzelfde:

"De camping is toch mijn verblijfplaats tijdens de vakantie en ligt dichter bij mijn werk?"

Van de 16 medewerkers bleken uiteindelijk 6 medewerkers deze situatie op dezelfde manier toe te passen, zonder dat er voldoende aandacht was geweest voor de fiscale beoordeling.

Het probleem zat niet in de bedoeling van de medewerkers.

Het probleem zat in het verschil tussen:

praktische logica

en

fiscale regels rondom de auto van de zaak.


Wat betekent dit voor werkgevers?

Werkgevers kunnen problemen voorkomen door dit soort situaties vooraf bespreekbaar te maken.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • aandacht hiervoor opnemen in het autoreglement;
  • medewerkers informeren over langdurig verblijf op andere locaties;
  • vragen om wijzigingen in de woon- of verblijfssituatie tijdig te melden;
  • zorgen dat de rittenregistratie aansluit bij de werkelijkheid.

Een ritregistratiesysteem registreert de ritten.

Maar een systeem bepaalt niet automatisch of een rit fiscaal juist wordt behandeld.


Mijn advies

De vakantieperiode zorgt regelmatig voor situaties die logisch lijken, maar fiscaal anders kunnen uitpakken.

Een camping dichter bij het werk betekent niet automatisch dat alle ritten vanaf die locatie woon-werkverkeer zijn.

De belangrijkste vraag blijft:

"Wat is de feitelijke woon- en verblijfssituatie van de werknemer op dat moment?"

Juist bij dit soort praktische situaties ontstaan in de praktijk vaak de meeste vragen.